Patiëntenverslag van de General Assembly van NMCB
Opening General Assembly NMCB
De General Assembly van het Nederlands ME/CVS Cohort en Biobank Consortium (NMCB) op 13 januari 2026 werd geopend door Jos Bosch, projectleider van het consortium. In zijn inleiding schetste hij hoe NMCB zich sinds de start heeft ontwikkeld van een relatief compact onderzoeksprogramma tot een breed, nationaal samenwerkingsverband waarin inmiddels dertien onderzoeksprojecten zijn ondergebracht.
Bosch ging in op de infrastructuur die de kern vormt van het consortium. NMCB verbindt alle zeven universitaire medische centra in Nederland, aangevuld met universiteiten, onderzoeksinstituten zoals TNO, klinische partners en patiëntenorganisaties. Die gezamenlijke infrastructuur bestaat uit een uitgebreide patiëntenregistratie, meerdere biobanken (bloed, spierweefsel, hersenmateriaal), en een breed testprogramma met onder andere MRI, EEG, cognitieve testen en autonome functiemetingen.
Een belangrijk punt in zijn opening was de toegankelijkheid van het onderzoek. Bosch benadrukte dat NMCB expliciet inzet op deelname van ook ernstig zieke en huisgebonden patiënten, onder meer door thuismetingen, mobiele meetopstellingen en aangepaste protocollen. Juist deze groep ontbreekt vaak in onderzoek, terwijl daar mogelijk de meest uitgesproken biologische signalen zichtbaar zijn.
Daarnaast stond Bosch stil bij de groei van de data infrastructuur. Gegevens en biomaterialen worden veilig opgeslagen en zijn via een gecontroleerde omgeving beschikbaar voor onderzoekers binnen het consortium. Ook wordt actief aansluiting gezocht bij internationale netwerken en Europese subsidieprogramma’s, zodat Nederlandse data kunnen worden vergeleken met cohorten elders.
Met deze kregen de onderzoekers het woord, die ieder vanuit hun eigen discipline lieten zien hoe breed en tegelijkertijd samenhangend het huidige ME/CVS-onderzoek binnen NMCB is.
Hersenveranderingen in ME/CVS – focus op het stress- en immuunsysteem
Dr. Inge Huitinga, neurobioloog, Nederlandse Hersenbank / Amsterdam UMC
Prof. dr. Jorg Hamann, hoogleraar neuro-immunologie, Amsterdam UMC
Prof. dr. Paul Lucassen, hoogleraar neurobiologie, Amsterdam UMC Dr. Felipe Correa da Silva, onderzoeker, Nederlandse Hersenbank / Amsterdam UMC
Waarom dit onderzoek?
Veel hypotheses over ME/CVS richten zich op ontregeling van stresssystemen, immuunprocessen en energiehuishouding in de hersenen. Tot nu toe waren deze ideeën vooral gebaseerd op indirect bewijs: bloedmetingen, beeldvorming of diermodellen. Wat ontbrak, was direct onderzoek in menselijk hersenweefsel.
In zijn presentatie vertelde Felipe Correa da Silva dat postmortaal hersenonderzoek een unieke mogelijkheid biedt om fundamentele vragen te beantwoorden die met geen enkele andere methode te onderzoeken zijn.
Wat wordt onderzocht?
Het onderzoek richt zich op drie nauw verweven systemen in de hersenen:
- Neuro-endocriene regulatie, met name de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HPA-as).
- Microglia, de aangeboren immuuncellen van de hersenen.
- Mitochondriale en cellulaire stressmechanismen, die iets zeggen over langdurige overbelasting of uitputting van hersencellen.
De onderzoekers analyseerden hersenweefsel uit meerdere hersengebieden, waaronder de hypothalamus, die een centrale rol speelt in stressregulatie, energiehuishouding en slaap-waakritmes.
Wat laten de bevindingen zien?
Een belangrijk en opvallend resultaat betreft de HPA-as. In hersenweefsel van mensen met ME/CVS bleek dat specifieke zenuwcellen die normaal gesproken cruciaal zijn voor de aansturing van cortisolproductie, sterk verminderd aanwezig zijn. Dit werd niet in één enkel hersengebied gezien, maar op meerdere niveaus binnen het stresssysteem.
Dit is voor het eerst dat zulke veranderingen zo uitgebreid en systematisch zijn aangetoond in postmortaal hersenweefsel bij ME/CVS. De onderzoekers benadrukten dat dit een structureel biologisch signaal is, en geen gevolg kan zijn van bijvoorbeeld meetbias of momentopnames.
Daarnaast werd ingegaan op de microglia. In tegenstelling tot eerdere verwachtingen werd geen beeld gezien van klassieke, actieve hersenontsteking zoals bij multiple sclerose. In plaats daarvan lieten veel microglia een dystrof, gefragmenteerd uiterlijk zien. Dit wijst op cellen die langdurig overbelast zijn geweest en hun normale functies niet meer goed kunnen uitvoeren.
Belangrijk is dat deze microgliale veranderingen lokaal lijken te zijn: vooral in hersengebieden die betrokken zijn bij stress- en hormoonregulatie. Dit ondersteunt het idee dat ME/CVS geen diffuse hersenontsteking is, maar een aandoening waarbij specifieke systemen langdurig ontregeld raken.
Tot slot werd kort stilgestaan bij mitochondriale mechanismen. Hoewel dit deel nog in analyse is, zijn er aanwijzingen dat hersencellen tekenen vertonen van chronische metabole stress, passend bij een ziektebeeld waarin energiehuishouding centraal staat.
Wat betekent dit?
De onderzoekers benadrukten dat deze bevindingen niet betekenen dat alle mensen met ME/CVS dezelfde hersenveranderingen hebben. Wel laten ze zien dat er bij ten minste een deel van de patiënten objectieve, biologische veranderingen bestaan in systemen die nauw aansluiten bij de klachten: uitputting, stressgevoeligheid, verstoorde slaap en herstel.
Dit werk vormt een belangrijke basis voor vervolgonderzoek dat dieper ingaat op cellulaire mechanismen en de relatie met perifere processen in het lichaam.
Single-cell transcriptomics van meerdere hersenregio’s bij ME/CVS
Dr. Inge Huitinga, neurobioloog, Nederlandse Hersenbank / Amsterdam UMC
Dr. Felipe Correa da Silva, onderzoeker, Nederlandse Hersenbank / Amsterdam UMC
Waarom dit vervolgonderzoek?
De postmortale analyses lieten zien waar veranderingen optreden in de hersenen, maar de volgende vraag is: wat gebeurt er precies in individuele cellen? Welke genen zijn actiever of juist minder actief, en verschilt dat per celtype?
Om die vraag te beantwoorden, start binnen NMCB een vervolgproject met single-cell transcriptomics.
Wat wordt onderzocht?
In dit project wordt hersenweefsel van verschillende hersengebieden op celniveau geanalyseerd. Met moderne sequencing technieken wordt gekeken naar welke genen actief zijn in afzonderlijke neuronen, microglia en andere ondersteunende cellen.
De focus ligt op meerdere regio’s, waaronder:
- hypothalamus
- hippocampus
- frontale cortex
Door deze regio’s te vergelijken, kunnen onderzoekers nagaan of veranderingen regio-specifiek zijn en of bepaalde celtypen consequent anders functioneren bij ME/CVS.
Wat moet dit opleveren?
Felipe Correa da Silva legde uit dat deze aanpak het mogelijk maakt om:
- subtiele maar consistente veranderingen te detecteren die in bulk-analyses verborgen blijven;
- onderscheid te maken tussen adaptieve reacties en tekenen van cellulaire uitputting of schade;
- hersenveranderingen te koppelen aan bloed- en immuunprofielen uit andere NMCB-projecten.
Het uiteindelijke doel is niet om één ME/CVS-gen te vinden, maar om netwerken van ontregelde processen zichtbaar te maken, die samen kunnen verklaren waarom klachten zo hardnekkig zijn en waarom herstel uitblijft.
Stand van zaken
Dit project bevindt zich in de opstartfase. De eerste monsters zijn geselecteerd, methoden worden gevalideerd en de analyses zullen de komende periode worden uitgerold. De onderzoekers benadrukten dat dit type onderzoek tijdrovend is, maar essentieel om ME/CVS op het meest fundamentele niveau te begrijpen.
Koppeling van inspanningsbeperkingsfenotypes aan spierafwijkingen bij ME/CVS met MRI en NIRS
Dr. Melissa Hooijmans, bewegingswetenschapper, Vrije Universiteit Amsterdam
Dr. Richie Goulding, bewegingswetenschapper, Vrije Universiteit Amsterdam
Waarom dit onderzoek?
Verminderde inspanningstolerantie, spierzwakte en post-exertionele malaise (PEM) behoren tot de meest invaliderende klachten bij ME/CVS. Toch is het nog altijd onduidelijk wat er tijdens inspanning biologisch misgaat, en waarom de gevolgen dagen tot weken kunnen aanhouden.
In haar presentatie legde Melissa Hooijmans uit dat eerdere studies vaak tegenstrijdige resultaten opleverden. Sommige patiënten lijken vooral problemen te hebben met de zuurstoftoevoer naar spieren, terwijl bij anderen juist het gebruik van zuurstof binnen de spiercel verstoord lijkt. Dit suggereert dat ME/CVS geen uniform inspanningsprobleem kent, maar meerdere onderliggende mechanismen.
Wat wordt onderzocht?
Het onderzoek bestaat uit twee samenhangende lijnen:
- Heranalyse van bestaande datasets
In internationale samenwerking, onder andere met onderzoekers van Harvard Medical School, analyseren zij bestaande gegevens van spierbiopten en inspanningstesten opnieuw. Daarbij zoeken zij naar patronen die eerder mogelijk over het hoofd zijn gezien.
Door deze data opnieuw te ordenen, identificeren zij zogenoemde inspanningfenotypen: herkenbare patronen waarin het lichaam tijdens inspanning vastloopt. Dat kan bijvoorbeeld komen door:
onvoldoende zuurstoftoevoer,
• verstoorde mitochondriale energieproductie,
• of afwijkingen in spierdoorbloeding.
Deze heranalyse levert al het inzicht op dat patiënten met vergelijkbare klachten biologisch sterk kunnen verschillen. - Nieuwe metingen bij Nederlandse deelnemers
Daarnaast worden in Nederland tachtig mensen met ME/CVS en twintig gezonde controles onderzocht met niet-belastende meetmethoden, waaronder:
MRI en MRS om spierstructuur en energiehuishouding te meten;
• NIRS, een techniek die real-time het zuurstofgebruik van spieren volgt.
Hooijmans benadrukte dat deze technieken bewust zijn gekozen omdat zij geen zware inspanning vereisen en daardoor ook geschikt zijn voor mensen met beperkte belastbaarheid.
Wat levert dit al op?
Hoewel het onderzoek nog loopt, werd tijdens de presentatie duidelijk dat:
• spierafwijkingen meetbaar zijn, ook zonder maximale inspanning;
• verschillende inspanningsbeperkingen samenhangen met verschillende vormen van PEM;
• en dat deze metingen perspectief bieden voor objectievere diagnostiek.
Een belangrijk punt dat Hooijmans maakte, is dat deze benadering kan helpen om inspanning in de zorg veiliger en persoonlijker te maken, door beter te begrijpen welke patiënten wél en welke juist níet bepaalde belasting aankunnen.
Fenotypering van orthostatische intolerantie en regulering van hersendoorbloeding bij ME/CVS
Dr. Jos Bosch, projectleider NMCB, onderzoeker autonome functiestoornissen
Waarom dit onderzoek?
Orthostatische intolerantie (OI) – klachten bij staan of rechtop zitten – komt vaak voor bij ME/CVS, maar blijft in de kliniek vaak onbegrepen. Bosch legde uit dat klassieke metingen van hartslag en bloeddruk bij een aanzienlijk deel van de patiënten geen afwijkingen laten zien, terwijl zij wel ernstige klachten ervaren.
Dit heeft geleid tot twijfel over de klachten, terwijl gespecialiseerde studies juist aantonen dat de hersendoorbloeding bij veel patiënten wél verstoord is.
Wat wordt onderzocht?
Bosch ging in op het idee dat OI geen enkelvoudig probleem is, maar bestaat uit verschillende subtypen, waaronder:
- POTS,
- orthostatische hypotensie,
- en mogelijk nog onvoldoende herkende neurovasculaire vormen.
Het onderzoek bestaat uit twee complementaire deelstudies:
1, Klinische fenotypering van OI
In een grote groep deelnemers worden klachten en fysiologische reacties in kaart gebracht met:
- de NASA Lean Test,
- hartslag- en bloeddrukmetingen,
- zenuwfunctieonderzoek,
- en cognitieve testen.
Deze studie omvat mensen met ME/CVS (inclusief ernstig zieke en huisgebonden patiënten), gezonde controles én mensen met andere postinfectieuze aandoeningen zoals post-COVID en post-Q-koorts.
Het doel is om OI beter te kunnen indelen in subtypen en die te koppelen aan klachten, ernst en dagelijks functioneren.
2. MRI-onderzoek naar hersendoorbloeding
In de tweede studie wordt onderzocht wat er in de hersenen gebeurt bij houdingsveranderingen. Met behulp van MRI en zogenoemde lower body negative pressure wordt rechtop staan nagebootst terwijl deelnemers in de scanner liggen.
Bosch legde uit dat hiermee heel nauwkeurig kan worden gemeten hoe de hersendoorbloeding verandert onder orthostatische stress, zonder patiënten daadwerkelijk te laten staan.
Wat is de kernboodschap?
De presentatie maakte duidelijk dat een deel van de ME/CVS-patiënten mogelijk geen “klassieke” cardiovasculaire OI heeft, maar een probleem in de regulering van de cerebrale doorbloeding. Dit kan verklaren waarom standaardtesten soms niets laten zien, terwijl klachten ernstig zijn.
Dit onderzoek kan daarmee bijdragen aan:
- betere diagnostiek,
- meer erkenning van klachten,
- en uiteindelijk gerichtere behandelingen, afgestemd op het juiste OI-subtype.
EnergiseME – Auto-immuniteit en verstoringen in het metabolisme van immuuncellen bij ME/CVS
Dr. Niels Eijkelkamp, universitair hoofddocent, Amsterdam UMC
Waarom dit onderzoek?
In zijn presentatie ging Niels Eijkelkamp in op een fundamentele vraag: wat gebeurt er in immuuncellen bij ME/CVS, en hoe kan dat bijdragen aan klachten zoals vermoeidheid, pijn en cognitieve problemen? Daarbij benadrukte hij dat vooral kinderen en jongeren met ME/CVS tot nu toe sterk ondervertegenwoordigd zijn in onderzoek.
Eijkelkamp legde uit dat het immuunsysteem niet alleen betrokken is bij afweer, maar ook een directe rol speelt in de regulatie van energiehuishouding en communicatie met het zenuwstelsel. Verstoring daarvan kan grote gevolgen hebben voor het functioneren van het hele lichaam.
Wat wordt onderzocht?
Het EnergiseME-project kent een brede, maar samenhangende opzet:
1. Opbouw van een pediatrisch cohort
Binnen het project wordt een grote kinder- en jongerencohort opgebouwd: 160 patiënten met ME/CVS (8–18 jaar) en 80 controles. Zij ondergaan vragenlijsten en verschillende lichamelijke testen, waaronder:
metingen van het autonome zenuwstelsel (NASA Lean Test: POTS),
- sensorische testen,
- handknijpkracht,
- en echografie van bloedvaten.
Daarnaast worden diverse biologische materialen verzameld, zoals bloedcellen (PBMC’s), plasma, speeksel en haar. Een deel van de deelnemers wordt na een jaar opnieuw onderzocht, om veranderingen in de tijd te volgen.
2. Auto-antistoffen en immuuncelmetabolisme
De centrale hypothese is dat auto-antistoffen bij ME/CVS het metabolisme van immuuncellen verstoren, met name in monocyten en mogelijk ook neutrofielen. Deze metabole ontregeling zou de communicatie tussen immuunsysteem en zenuwstelsel beïnvloeden.
Eijkelkamp liet zien dat eerdere pilotstudies al aanwijzingen opleverden voor:
- afwijkingen in het NAD-metabolisme,
- veranderingen in ontstekingsgerelateerde stoffen zoals LTB4,
- en signalen die wijzen op neuro-inflammatie.
3. Point-of-care flowcytometrie
Een belangrijk nieuw element is het gebruik van point-of-care flowcytometrie, waarmee immuuncellen direct in vers bloed kunnen worden geanalyseerd. Hierdoor komen ook neutrofielen, cellen die bij traditioneel onderzoek vaak verloren gaan, beter in beeld.
Wat heeft dit al opgeleverd?
Hoewel het project nog loopt, benadrukte Eijkelkamp dat:
• metabole afwijkingen in immuuncellen niet worden gezien bij andere vermoeidheidsaandoeningen zonder ontsteking;
• de gevonden patronen wijzen op ME/CVS-specifieke processen;
• en dat functionele vervolgexperimenten nodig zijn om oorzaak en gevolg beter te onderscheiden.
In latere fasen worden bloedfactoren getest in cel- en diermodellen, om te onderzoeken of zij daadwerkelijk ontregeling kunnen veroorzaken.
IMMUNESTRATIFY – Moleculaire immuunhandtekeningen als basis voor subtypering van ME/CVS
Dr. Marjan Versnel, hoogleraar Immunologie, Erasmus MC
Waarom dit onderzoek?
Marjan Versnel begon haar presentatie met de constatering dat de grote variatie in klachten in ME/CVS suggereert dat er verschillende biologische subtypen bestaan. Toch ontbreekt het tot nu toe aan objectieve criteria om die subgroepen te onderscheiden.
Het IMMUNESTRATIFY-project wil daar verandering in brengen door te kijken naar immuunhandtekeningen: herkenbare patronen in het immuunsysteem die iets zeggen over onderliggende ziekteprocessen.
Wat wordt onderzocht?
In dit project worden vijf specifieke immuunhandtekeningen onderzocht die eerder zijn beschreven bij aandoeningen met ernstige vermoeidheid, waaronder:
- type-I-interferon-signaturen
- en een eerder beschreven ME/CVS-specifieke signatuur.
Getrainde immuniteit
Een belangrijk concept in haar presentatie was getrainde immuniteit. Versnel legde uit dat bepaalde immuuncellen, zoals monocyten, na een infectie langdurig in een overgevoelige toestand kunnen blijven.
Normaal gesproken keren deze cellen na activatie terug naar een rusttoestand. Bij ME/CVS vermoedt zij dat dit proces ontspoord is, waardoor cellen blijvend hyperreactief blijven.
Experimentele modellen
Om dit te testen gebruikt haar team:
- een monocytair celmodel,
- en een microglia-model (microglia zijn immuuncellen van de hersenen).
In deze modellen wordt gekeken hoe cellen reageren op nagebootste virusprikkels en of stoffen in het bloed van patiënten deze overreactiviteit kunnen veroorzaken.
Wat is al bekend?
Versnel presenteerde resultaten uit eerder onderzoek bij post-COVID, waarin immuuncellen van sommige patiënten sterk reageerden op virale prikkels. Deze hyperreactiviteit bleek te correleren met de ernst van vermoeidheid.
Deze methoden zijn inmiddels geoptimaliseerd en worden nu toegepast op ME/CVS-monsters uit de NMCB-biobank, die eind 2025 beschikbaar zijn gekomen.
Stand van zaken
Het project bevindt zich in een fase waarin eerste bevindingen richting geven aan verdere analyses, waaronder RNA-sequencing. Het uiteindelijke doel is om ME/CVS biologisch beter te definiëren, subgroepen objectief te onderscheiden en zo de basis te leggen voor meer gepersonaliseerde diagnostiek en behandeling.
Neurobiologische en immunologische vergelijking van ME/CVS en PAIS
Dr. Ruud Raijmakers, epidemioloog/onderzoeker postinfectieuze aandoeningen
Kees van den Wijngaard, senior onderzoeker RIVM
Prof. Dr J. Hovius, internist Amsterdam UMC
Waarom dit onderzoek?
Ruud ging in zijn presentatie in op de opvallende overeenkomsten tussen ME/CVS en andere post-acute infectieuze syndromen (PAIS), zoals post-COVID, post-Lyme en Q-koortsvermoeidheid. Ondanks gedeelde klachten ontbreekt het aan goed vergelijkend onderzoek.
Volgens Ruud is het essentieel om deze aandoeningen naast elkaar te bestuderen, om te begrijpen wat ze delen en waar ze van elkaar verschillen.
Wat wordt onderzocht?
1. ME/CVS-criteria in een Lyme-cohort
In samenwerking met de grote Lyme Prospect Study (meer dan 1000 patiënten) wordt onderzocht hoe vaak mensen na Lyme voldoen aan internationale ME/CVS-criteria. Hiervoor zijn uitgebreide vragenlijsten gebruikt.
2. Biologie rond het moment van ziekte-trigger
Uniek is dat in deze cohort al bloed is afgenomen:
- tijdens de acute infectie,
- en zes weken later, tijdens herstel.
Hierdoor kunnen onderzoekers terugkijken naar biologische processen rond het ontstaan van langdurige klachten, iets wat bij klassiek ME/CVS-onderzoek meestal niet mogelijk is.
Eerste inzichten
Ruud liet zien dat mensen die later langdurige klachten ontwikkelen juist in de herstelfase een verlaagde aanwezigheid hebben van bepaalde eiwitten. Het gaat onder andere om:
- neuroprotectieve eiwitten,
- cytokines betrokken bij de recrutering van NK- en Th17-cellen.
Deze bevindingen worden momenteel gevalideerd met aanvullende testen.
Grote vergelijkende analyse
In het kernonderdeel van het project worden ME/CVS-patiënten vergeleken met mensen met post-COVID, post-Lyme, Q-koortsvermoeidheid en gezonde controles. Daarbij wordt gekeken naar:
- ontsteking,
- immuuncelactivatie,
- epigenetische regulatie,
- en metabolisme.
Stand van zaken
De inclusie van ME/CVS- en post-COVID-deelnemers is afgerond. De werving van Lyme- en Q-koortspatiënten liep aanvankelijk trager, maar komt nu op gang. De grote vergelijkende analyses staan gepland voor 2026–begin 2027.
Ruud benadrukte dat dit onderzoek kan helpen om overkoepelende mechanismen te identificeren, wat cruciaal is voor betere diagnostiek en gerichtere behandelingen.
Virusinfectie en reactivatie en het gastro-intestinale microbioom bij ME/CVS
Dr. Rik Haagmans, viroloog en postdoctoraal onderzoeker, Amsterdam UMC
Waarom dit onderzoek?
Rik Haagmans begon zijn presentatie met een observatie die veel patiënten zullen herkennen: bij ME/CVS gaan infecties, darmklachten en immuunontregeling vaak samen, maar we weten nog nauwelijks hoe die processen elkaar beïnvloeden.
Haagmans benadrukte dat er al veel onderzoek is gedaan naar virussen of naar het darmmicrobioom bij ME/CVS, maar dat het samenspel tussen die twee grotendeels onontgonnen terrein is. Juist daar ligt volgens hem een belangrijke sleutel.
Wat wordt onderzocht?
Het project richt zich op drie nauw verweven onderdelen:
1. Virale activiteit
De onderzoekers kijken naar de activiteit van latente virussen, zoals:
- Epstein-Barr-virus (EBV),
- cytomegalovirus (HCMV),
- HHV-6 en HHV-7,
- en endogene retrovirussen (virale restanten in het menselijk DNA).
Haagmans legde uit dat deze virussen na een eerste infectie levenslang aanwezig blijven en onder bepaalde omstandigheden opnieuw actief kunnen worden.
2. Darmmicrobioom en viroom
Naast bacteriën wordt ook gekeken naar het viroom: de verzameling virussen in de darm. Met DNA- en RNA-analyses wordt onderzocht welke micro-organismen aanwezig zijn en hoe actief ze zijn.
3. Darmbarrière
Een centrale hypothese is dat veranderingen in de darmflora samenhangen met een verhoogde doorlaatbaarheid van de darmwand. Dat zou kunnen leiden tot verhoogde immuunactivatie en mogelijk virale heractivatie.
Hoe wordt dit onderzocht?
Het project maakt gebruik van meerdere cohorten:
- het NMCB-cohort in Nederland (inclusief ernstig zieke en huisgebonden patiënten),
- ME/CFS Lines,
- en het RESTORE-ME-cohort in het Verenigd Koninkrijk, waarin patiënten met ME/CVS en darmklachten worden gevolgd tijdens een feces microbiota transplantatie (FMT).
Belangrijk is dat FMT hier niet als behandeling wordt getest, maar als natuurlijk experiment om te zien of veranderingen in de darmflora samengaan met veranderingen in virale activiteit en klachten.
Daarnaast werken de onderzoekers met geavanceerde in-vitro darmmodellen, waarin menselijke darmcellen worden blootgesteld aan materiaal uit ontlasting van patiënten en controles. Daarmee kan worden onderzocht of microbiële verschillen daadwerkelijk leiden tot veranderingen in darmbarrière en immuunreacties.
Stand van zaken
Het project is gestart op 1 december 2025. Er zijn nog geen resultaten, maar Haagmans schetste duidelijk welke vragen de komende jaren centraal staan. Het onderzoek loopt drie jaar.
Testen van gepersonaliseerde interventies gericht op herstellen van de darmflora in ME/CVS
Dr. Arnout Mieremet, onderzoeker, TNO
Waarom dit onderzoek?
Arnout Mieremet ging in zijn presentatie dieper in op de vraag: hoe kun je mogelijke behandelingen voor darmdysbiose, een verstoring van de balans van darmbacteriën, bij ME/CVS onderzoeken, zonder patiënten te belasten?
Hij benadrukte dat klinische interventiestudies vaak zwaar zijn voor mensen met ME/CVS, terwijl er wel sterke aanwijzingen zijn dat verstoringen in de darmflora bijdragen aan klachten.
Wat wordt onderzocht?
Het project richt zich op het ontwikkelen van functionele laboratoriummodellen van de ME/CVS-darmflora, waarin mogelijke interventies eerst veilig kunnen worden getest:
1. In-vitro microbioom model
Ontlastingsmonsters van deelnemers aan NMCB worden zo ingevroren dat de microbiële samenstelling behouden blijft en geschikt is voor het opzetten van de modellen. Deze monsters worden vervolgens 24–48 uur gekweekt in een model dat het microbioom van de dikke darm nabootst.
In dit systeem worden interventies getest, zoals:
- prebiotica,
- probiotica,
- en combinaties daarvan.
Mieremet wees erop dat eerder TNO-onderzoek heeft laten zien dat effecten in dit model goed overeenkomen met effecten in klinische studies, wat het model voorspellend maakt.
2. Darmwandmodel
Daarnaast wordt gewerkt met een model van menselijke darmcellen. Hiermee onderzoeken de onderzoekers hoe door bacteriën geproduceerde stoffen invloed hebben op:
- ontstekingsreacties,
- en de barrièrefunctie van de darm.
Wat levert dit op?
Het project is nog in de opbouwfase, maar Mieremet benadrukte dat deze aanpak kan helpen om:
- beter te begrijpen wat er misgaat in de darm bij ME/CVS,
- en welke interventies voor welke patiënten kansrijk zijn.
Patiëntenorganisaties zijn actief betrokken bij de keuze van interventies, zodat het onderzoek aansluit bij ervaringen uit de praktijk.
Bioactieve eiwitten in ME/CVS: de link tussen ontsteking en neurologische afwijkingen
Prof. dr. Leo Koenderman, hoogleraar Immunologie, UMC Utrecht
Waarom dit onderzoek?
Leo Koenderman nam de zaal mee in een minder bekend, maar potentieel belangrijk mechanisme: de rol van kleine bioactieve eiwitten (peptiden), zoals bradykinine, bij ontsteking, vaatregulatie en zenuwsignalen.
Hij legde uit dat bij virusinfecties systemen die deze peptiden normaal afbreken, verstoord kunnen raken. Dat kan leiden tot langdurige overactiviteit van stoffen die klachten veroorzaken.
Wat wordt onderzocht?
Centraal staat het enzym neprilysine (CD10), dat bioactieve peptiden afbreekt en onder andere op neutrofielen voorkomt.
Koenderman liet zien dat:
- bij ernstige COVID-19-infecties CD10 sterk verlaagd is,
- en dat ook bij kinderen met post-COVID en ME/CVS lagere CD10-expressie is gevonden.
Dit suggereert dat bioactieve peptiden mogelijk onvoldoende worden afgebroken.
Uniek aspect: meten bij mensen thuis
Het project richt zich expliciet op zeer ernstig zieke patiënten. Koenderman legde uit hoe zijn team met een mobiel laboratorium, een elektrische bus met meetapparatuur, bij mensen thuis bloed afneemt.
Patiënten worden:
- één keer gemeten in een stabiele fase,
- en opnieuw tijdens post-exertionele malaise (PEM).
Zo kan worden onderzocht wat er biologisch verandert tijdens een verergering van klachten.
Stand van zaken
Het project is recent gestart. De inclusie is begonnen en er zijn nog geen resultaten bij ME/CVS, maar de opzet maakt het mogelijk om processen te onderzoeken die eerder buiten beeld bleven.
Hoe metabolisme en het brein interacteren: naar een beter begrip van cognitieve symptomen in ME/CVS
Marieke van der Schaaf, cognitief neurowetenschapper (Universiteit Tilburg)
Marieke van der Schaaf presenteerde haar onderzoeksproject dat zich richt op de vraag wat er in het brein gebeurt bij concentratieproblemen en “brain fog” bij ME/CVS en post-COVID. Het project is recent gestart; zij gaf tijdens de bijeenkomst een overzicht van de plannen voor de komende jaren.
Waarom dit onderzoek nodig is
Veel mensen met ME/CVS ervaren problemen met concentratie, geheugen en denksnelheid. Deze klachten, vaak omschreven als brain fog, worden door patiënten als zeer belastend ervaren. Toch laten standaard neuropsychologische testen vaak geen duidelijke afwijkingen zien, of sluiten ze niet goed aan bij wat patiënten in het dagelijks leven merken.
Volgens Van der Schaaf betekent dit niet dat de klachten er niet zijn, maar dat we waarschijnlijk anders moeten kijken naar cognitieve problemen bij ME/CVS. Het lijkt vooral te gaan om dynamische processen, zoals moeite met het volhouden van aandacht en een vertraagde informatieverwerking, in plaats van vaste of blijvende hersenschade.
De rol van energiehuishouding en immuunsysteem
Het brein is een orgaan dat veel energie verbruikt. Bij ME/CVS zijn er aanwijzingen dat zowel de energieproductie in cellen als het immuunsysteem ontregeld zijn. Stoffen in het bloed die betrokken zijn bij ontsteking en stofwisseling kunnen de werking van hersencellen beïnvloeden en de communicatie tussen hersengebieden verstoren.
Een belangrijk aandachtspunt in haar onderzoek is het tryptofaan–kynureninepad, een stofwisselingsroute die actiever wordt bij ontsteking en langdurige stress. Veranderingen in dit systeem kunnen invloed hebben op neurotransmitters zoals dopamine en serotonine, die essentieel zijn voor motivatie, concentratie en alertheid. Dit kan helpen verklaren waarom cognitieve inspanning zo uitputtend is voor mensen met ME/CVS.
Wat onderzoekt het project?
Het doel van het project is om te begrijpen hoe hersenveranderingen samenhangen met immuun- en metabole afwijkingen en met cognitieve klachten bij ME/CVS.
Daarvoor combineert het team drie soorten gegevens:
- Hersenscans (MRI) om hersenstructuur, verbindingen tussen hersengebieden, hersenstofwisseling en de doorbloeding van de hersenen te meten. Ook wordt MR-spectroscopie gebruikt om metabolieten zoals glutamaat in beeld te brengen.
- Bloedonderzoek om immuunactivatie en metabole processen te analyseren.
- Cognitieve testen en vragenlijsten, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de prestatie, maar ook naar hoe snel iemand mentaal vermoeid raakt en hoe het denkvermogen over tijd verandert.
Belangrijk is dat de taken zijn aangepast aan mensen met beperkte energie, zodat ook ernstig zieke en huisgebonden patiënten veilig kunnen deelnemen.
Een nieuw perspectief op cognitieve klachten
Van der Schaaf wil met dit project een onderscheid maken tussen twee mogelijke verklaringen voor cognitieve problemen:
- Een neurodegeneratief profiel, waarbij structurele veranderingen in hersencellen een rol spelen.
- Een metabool profiel, waarbij verstoringen in energieproductie en neurotransmitters de hersenfunctie beïnvloeden.
Door deze twee profielen naast elkaar te bestuderen, hopen de onderzoekers beter te begrijpen waarom cognitieve klachten bij ME/CVS zo wisselend en dynamisch zijn.
Verwachte opbrengst
Met dit onderzoek hopen de onderzoekers:
- beter te begrijpen hoe metabolisme, immuunsysteem en hersenfunctie met elkaar samenhangen bij ME/CVS;
- cognitieve klachten zoals brain fog objectiever te kunnen meten;
- en nieuwe aanknopingspunten te vinden voor toekomstige behandelingen en betere diagnostiek.
Het onderzoek draagt daarmee bij aan meer erkenning van cognitieve klachten bij ME/CVS en helpt om deze klachten op een wetenschappelijk onderbouwde manier zichtbaar te maken.
MuscleME – adaptaties in de skeletspier en bloed tijdens post-exertionele malaise in patiënten met ME/CVS
Dr. Rob Wüst, inspanningsfysioloog, Amsterdam UMC
Waarom dit onderzoek?
Rob Wüst ging in zijn presentatie dieper in op post-exertionele malaise (PEM) als biologisch fenomeen. PEM is geen gewone vermoeidheid, benadrukte hij, maar een vertraagde en langdurige ontregeling van meerdere systemen na inspanning.
Het MuscleME-project richt zich daarom niet alleen op spieren, maar ook op het bloed, de doorbloeding en immuunprocessen.
Wat wordt onderzocht?
Het project combineert meerdere onderzoekslijnen:
1. Spier- en bloedonderzoek
Spierbiopten en bloedmonsters van ME/CVS-patiënten worden vergeleken met die van gezonde controles. Daarbij wordt gekeken naar:
- spierstructuur,
- energiehuishouding,
- en afwijkingen in de microcirculatie.
2. Microclots en doorbloeding
Wüst lichtte toe dat aan het begin van het project verschillende typen microstolsels werden waargenomen in bloed en spierweefsel. In samenwerking met een Zuid-Afrikaanse onderzoeksgroep heeft dit inmiddels geleid tot een eerste wetenschappelijke publicatie.
Deze microclots zouden de zuurstofvoorziening van spieren kunnen verstoren, vooral tijdens en na inspanning.
Metingen tijdens PEM
Een belangrijk onderdeel van MuscleME is dat patiënten zowel in een stabiele fase als tijdens PEM worden onderzocht. Zo kunnen veranderingen direct worden vergeleken.
Inclusie van ernstig zieke patiënten
Wüst benadrukte dat ook in dit project expliciet wordt gezocht naar manieren om ernstig zieke en huisgebonden patiënten te includeren, onder meer via aangepaste protocollen en mobiele meetopstellingen.
Stand van zaken
Het project bevindt zich inmiddels in de analysefase. De inclusie is grotendeels afgerond en meerdere publicaties zijn in voorbereiding. Daarnaast werkt Wüst samen met andere NMCB-projecten, onder meer op het gebied van hersenonderzoek en immuunanalyse.
AutonoME – auto-immuniteit als mogelijke oorzaak van ME/CVS-symptomen
Dr. Jeroen den Dunnen, immunoloog en universitair hoofddocent (associate professor), Amsterdam UMC
Let op: Dr. Jeroen den Dunnen was niet aanwezig op de bijeenkomst en heeft daarom geen presentatie gegeven. Dit is een korte beschrijving van het AutonoME-deelproject, zoals het binnen NMCB loopt.
Waarom dit onderzoek?
Een mogelijke verklaring voor ME/CVS is dat het immuunsysteem ontregeld raakt en per ongeluk het eigen lichaam aanvalt. Dat noemen we auto-immuniteit. Als dat klopt, zouden bepaalde antistoffen (antilichamen) in het bloed een rol kunnen spelen bij het ontstaan en in stand houden van klachten.
Wat hebben de onderzoekers al gezien?
Het team testte deze gedachte eerder in onderzoek naar langdurige CVS, dat op veel punten lijkt op ME/CVS. Ook is er een belangrijk voorbeeld uit long COVID: toen onderzoekers antistoffen van long-COVID-patiënten aan muizen gaven, kregen die muizen klachten die lijken op die van mensen met long COVID. Dat wijst erop dat antistoffen zélf ziekmakend kunnen zijn.
Wat wordt onderzocht binnen AutonoME?
In AutonoME wordt dezelfde aanpak gebruikt, maar dan met antistoffen van mensen met ME/CVS. De kernvraag is:
Kunnen antistoffen uit het bloed van mensen met ME/CVS bij muizen vergelijkbare klachten veroorzaken?
Concreet betekent dit:
- onderzoekers nemen antistoffen uit bloed van ME/CVS-patiënten;
- die geven ze aan muizen;
- daarna kijken ze of muizen kenmerken ontwikkelen die passen bij ME/CVS-symptomen.
Wat kan dit opleveren?
Als muizen inderdaad ziek worden door deze antistoffen, dan ondersteunt dat het idee dat auto-immuniteit een rol speelt bij ME/CVS. Dat kan twee belangrijke gevolgen hebben:
1. Betere diagnostiek
Artsen zouden dan gerichter kunnen zoeken naar specifieke antistoffen in het bloed als aanwijzing voor ME/CVS.
2. Sneller testen van behandelingen
Als er een bruikbaar muismodel ontstaat, kunnen onderzoekers verschillende medicijnen of afremmende immuunbehandelingen testen om te zien wat klachten vermindert — voordat zulke behandelingen bij mensen worden onderzocht.