Veel mensen met ME/CVS of post-COVID krijgen nog steeds te horen dat hun klachten vooral komen doordat zij minder bewegen en daardoor conditie hebben verloren. Dit nieuwe NMCB-onderzoek laat zien dat dit beeld te simpel is.

Onder leiding van dr. Rob Wüst, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzoeker binnen het NMCB, vergeleken onderzoekers de spieren van mensen met ME/CVS en post-COVID met die van gezonde mensen die 60 dagen volledige bedrust hadden gehouden. De resultaten zijn onlangs gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications. (Charlton, B.T., Slaghekke, A., Appelman, B. et al. Skeletal muscle properties in long COVID and ME/CFS differ from those induced by bed rest. Nat Commun (2026). https://doi.org/10.1038/s41467-026-75725-y)

 

Waarom is dit onderzoek belangrijk?

Veel mensen met ME/CVS en post-COVID hebben een sterk verminderde inspanningscapaciteit. Ook hebben veel patiënten post-exertionele malaise (PEM). Dat betekent dat klachten erger worden na lichamelijke, mentale of emotionele inspanning.

Mensen met ME/CVS en post-COVID bewegen vaak minder, omdat inspanning hun klachten kan verergeren. Daardoor wordt soms gedacht dat hun klachten vooral komen door conditieverlies.

Om te onderzoeken of dat klopt, vergeleken de onderzoekers mensen met ME/CVS en post-COVID met gezonde mensen die 60 dagen volledige bedrust hadden gehouden. Als langdurig weinig bewegen de belangrijkste oorzaak zou zijn, zouden de spieren van beide groepen veel op elkaar moeten lijken.

Dat bleek niet zo te zijn.

 

Hoe is het onderzoek uitgevoerd?

De onderzoekers vergeleken vier groepen:

  • gezonde mensen die 60 dagen volledige bedrust hielden;
  • mensen met post-COVID;
  • mensen met ME/CVS;
  • gezonde mensen van dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht.

Alle deelnemers deden een maximale inspanningstest. De gezonde deelnemers uit de bedrustgroep deden deze test zowel vóór als na de periode van 60 dagen bedrust. Daarnaast namen de onderzoekers kleine stukjes spierweefsel (spierbiopten) af. Daarmee onderzochten zij onder andere de spiervezels, de kleine bloedvaatjes (haarvaten) en de mitochondriën, de energiefabriekjes van de cellen.

 

Wat ontdekten de onderzoekers?

Mensen met ME/CVS, mensen met post-COVID en de gezonde deelnemers na 60 dagen bedrust hadden allemaal een lagere inspanningscapaciteit dan gezonde mensen. Toch bleken de spieren van de patiënten duidelijk anders dan die van de gezonde deelnemers na langdurige bedrust.

  • Geen algemene spierafbraak

Na 60 dagen bedrust hadden gezonde deelnemers duidelijk spiermassa verloren.

Bij mensen met ME/CVS en post-COVID zagen de onderzoekers deze algemene spierafbraak niet.

Als langdurig weinig bewegen de enige oorzaak van de klachten zou zijn, zouden de spieren van patiënten er ongeveer hetzelfde uit moeten zien als die van gezonde mensen na 60 dagen bedrust. Dat bleek niet het geval.

  • Andere spiervezels

Ook vonden de onderzoekers verschillen in de spiervezels.

Mensen met ME/CVS en post-COVID hadden minder type I-spiervezels. Dit zijn spiervezels die belangrijk zijn voor langdurige inspanning. Daartegenover stond een groter aandeel type II-spiervezels, die sneller vermoeid raken.

Bij mensen met ME/CVS waren de type I-spiervezels bovendien kleiner dan normaal. Deze verandering werd niet gezien bij de gezonde deelnemers na langdurige bedrust.

  • Afwijkingen in de energieproductie

De onderzoekers vonden ook aanwijzingen dat de mitochondriën, de energiefabriekjes van de cellen, minder goed werken bij mensen met ME/CVS en post-COVID.

Volgens de onderzoekers zijn deze veranderingen niet het gevolg van minder bewegen. Waarschijnlijk spelen ook andere biologische processen een rol.

  • Minder haarvaatjes bij ME/CVS

Bij mensen met ME/CVS vonden de onderzoekers minder kleine bloedvaatjes rondom de spiervezels. Daardoor kan tijdens inspanning mogelijk minder zuurstof bij de spieren terechtkomen.

Deze verandering werd niet gevonden bij de gezonde deelnemers na langdurige bedrust.

 

Wat betekent dit voor patiënten en vervolgonderzoek?

Volgens de onderzoekers laten de resultaten zien dat mensen met ME/CVS en post-COVID niet kunnen worden gezien als mensen die alleen conditie hebben verloren. Dat kan belangrijk zijn voor de ontwikkeling van toekomstige behandelingen en revalidatieprogramma’s, omdat deze beter kunnen aansluiten bij wat er daadwerkelijk in de spieren gebeurt. 

Tegelijkertijd geeft dit onderzoek nog niet op alle vragen antwoord. Zo is nog niet duidelijk waardoor de gevonden spierafwijkingen precies ontstaan en of zij een oorzaak van de ziekte zijn of juist een gevolg ervan.

Ook deden vooral mensen met relatief milde klachten mee aan het onderzoek. Zij moesten meerdere keren naar het onderzoekscentrum komen en een maximale inspanningstest uitvoeren. Daardoor zijn de resultaten niet automatisch van toepassing op mensen die ernstig ziek zijn en aan huis of bed gebonden zijn.

Vervolgonderzoek moet duidelijk maken hoe de veranderingen in de spieren bijdragen aan klachten zoals post-exertionele malaise (PEM) en hoe deze kennis kan worden gebruikt om betere diagnostiek en behandelingen te ontwikkelen.